U rijdt net weg na een bandenwissel en bij 80 of 100 km/u begint het stuur te trillen. Dat voelt niet goed - en terecht. Trillen na bandenwissel is meestal goed te verhelpen, maar het is geen klacht om lang mee door te rijden. De oorzaak zit vaak in de montage of balancering, maar kan ook wijzen op een band, velg of onderstel dat aandacht nodig heeft.
Wanneer trilt de auto precies?
Het moment waarop de trilling ontstaat, zegt veel over de mogelijke oorzaak. Trilt vooral het stuur, dan zit het probleem vaak aan de voorzijde van de auto. Voelt u de trilling meer in de stoel, vloer of carrosserie, dan zijn de achterwielen een logische eerste controle.
Let ook op de snelheid. Een trilling die pas rond 80 tot 120 km/u begint en boven die snelheid weer afneemt, past vaak bij een onbalans in een wiel. Trilt de auto al bij lage snelheid, bij optrekken of juist tijdens het remmen? Dan kan er meer spelen dan alleen de bandenwissel.
Blijf niet zoeken naar een oplossing door sneller of langzamer te rijden. Zeker op de snelweg kan een lichte trilling snel erger worden en onrust in de auto geven.
De meest voorkomende oorzaak: wiel niet goed gebalanceerd
Een band en velg vormen samen een draaiend geheel. Als het gewicht niet gelijkmatig rond het wiel verdeeld is, ontstaat bij hogere snelheid een trilling. Bij het balanceren plaatst de monteur kleine balanceergewichten op de velg om dat verschil op te heffen.
Na een bandenwissel kan een wiel trillen als het niet, onjuist of opnieuw gebalanceerd is. Ook kan een oud plakgewicht losgeraakt zijn, bijvoorbeeld door vuil, vocht of een stoeprand. Dit is meestal snel vast te stellen met een balanceermachine.
Balanceren is geen luxe. Onbalans geeft niet alleen een onprettig gevoel in het stuur, maar kan ook zorgen voor onregelmatige slijtage aan banden, extra belasting van onderdelen van de wielophanging en minder rijcomfort. Laat daarom bij trillingen alle vier de wielen controleren, niet alleen het wiel waarvan u denkt dat het de oorzaak is.
Nieuwe banden hebben ook balancering nodig
Ook een splinternieuwe band is niet automatisch perfect in balans zodra hij op de velg zit. Iedere band en velg heeft kleine afwijkingen. Daarom hoort montage altijd gevolgd te worden door zorgvuldig balanceren. Dat geldt net zo goed voor zomerbanden, winterbanden en allseasonbanden.
Vuil of roest tussen velg en naaf
Een wiel moet volledig vlak tegen de naaf van de auto aansluiten. Zit er roest, zand, remstof of ander vuil tussen, dan kan de velg net niet recht gemonteerd worden. Soms is een klein verschil al genoeg om een merkbare trilling te veroorzaken.
Dit komt vooral voor bij auto's die langere tijd met dezelfde wielen hebben gereden of bij wissels in het voor- en najaar. De naaf en het montagevlak van de velg moeten daarom vóór montage goed gereinigd worden. Het wiel kan dan vlak en centraal gemonteerd worden.
Bij sommige velgen zijn ook centreerringen nodig. Die zorgen ervoor dat een niet-originele velg precies om de naaf valt. Ontbreekt zo'n ring, is hij beschadigd of zit hij niet goed op zijn plaats, dan kan de auto na de bandenwissel trillen. Wielbouten alleen trekken een velg wel vast, maar centreren hem niet altijd voldoende tijdens de montage.
Wielbouten: vast is niet hetzelfde als goed vast
Wielbouten of wielmoeren moeten met het juiste aanhaalmoment worden vastgezet. Te los is onveilig. Te vast kan schade veroorzaken aan bouten, draad of remdelen. Ongelijkmatig vastzetten kan er bovendien voor zorgen dat een velg niet netjes aansluit.
Een professionele montage gebeurt kruislings en met een momentsleutel volgens de voorschriften van de autofabrikant. Heeft u de wielen zelf gewisseld, controleer dan of de juiste bouten zijn gebruikt. Bij lichtmetalen en stalen velgen kunnen de bouten verschillen in lengte of vorm van de zitting.
Merkt u een kloppend geluid, een steeds hevigere trilling of het gevoel dat een wiel niet vast zit? Zet de auto dan veilig stil en rijd niet verder. Laat de bevestiging direct controleren.
Een kromme velg of beschadigde band
Niet iedere trilling ontstaat tijdens de wissel. Soms wordt een probleem pas merkbaar wanneer een andere set wielen onder de auto komt. Een kromme velg, bijvoorbeeld na een harde klap tegen een stoeprand of een diep gat in de weg, draait niet mooi rond. Balanceren alleen lost dat niet altijd op.
Ook de band zelf kan beschadigd zijn. Denk aan een bult in de wang, een vervorming in het loopvlak, een interne karkasschade of een band die lang plat heeft gestaan. Vooral bij een auto die weinig rijdt of bij banden die maanden opgeslagen lagen, kan tijdelijk een vlak stuk merkbaar zijn. Na een korte rit kan dat verdwijnen, maar een blijvende trilling hoort onderzocht te worden.
Controleer uw banden visueel als dat veilig kan. Ziet u scheuren, bulten, een ingesneden wang of afwijkende slijtage, laat de band dan beoordelen. Rijd niet door met een zichtbare bult: de constructie van de band kan beschadigd zijn.
Trillen na bandenwissel of een probleem met uitlijning?
Uitlijning en balancering worden vaak door elkaar gehaald, maar zijn twee verschillende zaken. Balanceren corrigeert het gewicht van het draaiende wiel. Uitlijnen stelt de stand van de wielen ten opzichte van elkaar en de auto af.
Een verkeerde uitlijning veroorzaakt meestal niet de typische trilling bij een bepaalde snelheid. U merkt eerder dat de auto naar links of rechts trekt, het stuur scheef staat wanneer u rechtdoor rijdt of dat banden aan één zijde sneller slijten. Toch kan een bandenwissel zo'n probleem wel zichtbaar maken, zeker als de vorige banden al ongelijk versleten waren.
Als een auto na de wissel onrustig stuurt, scheef trekt of snel weer vreemd slijt, is een uitlijncontrole verstandig. Dat helpt niet alleen voor het rijgedrag, maar ook voor de levensduur van uw banden.
Vergeet bandenspanning en TPMS niet
Een verschil in bandenspanning geeft meestal geen duidelijke snelheidsafhankelijke trilling, maar kan wel zorgen voor een onrustig of zwabberend gevoel. Controleer de spanning daarom altijd als de banden zijn gewisseld. Gebruik de voorgeschreven spanning van de autofabrikant, niet alleen de maximale druk die op de band staat.
Heeft uw auto een TPMS-systeem, dan moet dit na een bandenwissel soms opnieuw worden ingeleerd of gekalibreerd. Een TPMS-storing veroorzaakt geen stuurtrilling, maar u wilt wel zeker weten dat de bandenspanningswaarschuwing betrouwbaar werkt. Dat is vooral belangrijk als u later een langzaam leeglopende band krijgt.
Wat kunt u zelf doen en wanneer gaat u langs?
U kunt zelf controleren of alle banden voldoende spanning hebben en of er geen zichtbare schade is. Kijk ook of er geen modder, sneeuw of grote ophoping van vuil aan de binnenkant van een velg zit. Was de auto net door een modderig gebied gereden, dan kan dat in uitzonderlijke gevallen al onbalans geven.
Gaat de trilling niet weg, laat de wielen dan zo snel mogelijk controleren. Een bandenspecialist kan de montagevlakken, centreerringen, wielbouten, velgconditie en balancering beoordelen. Bij Peelrand Banden & Service in Beugen kan dat snel worden nagekeken, zodat u weer rustig en veilig onderweg bent.
Wacht zeker niet als de trilling plotseling erger wordt, als de auto ook bij lage snelheid trilt, als u een bonkend geluid hoort of als het stuur tijdens het remmen schudt. In dat laatste geval kunnen ook remschijven of onderdelen van de ophanging een rol spelen.
Een bandenwissel hoort uw auto juist rustiger en zekerder te laten rijden. Voelt dat anders, vertrouw dan op dat gevoel en laat het controleren voordat een klein ongemak leidt tot extra slijtage of een onveilige rit.