Een TPMS-lampje dat onderweg gaat branden, komt nooit gelegen. Toch is het signaal er met een reden: uw auto ziet mogelijk een afwijkende bandenspanning of een probleem met het controlesysteem. Met deze handleiding TPMS storingen herkennen weet u wat het lampje betekent, wat u veilig zelf kunt doen en wanneer controle in de werkplaats verstandig is.
Wat doet een TPMS precies?
TPMS staat voor Tyre Pressure Monitoring System, oftewel bandenspanningscontrolesysteem. Het systeem waarschuwt wanneer de spanning in een of meer banden te laag is. Dat is geen luxe voorziening. Een band met te lage spanning slijt sneller, verbruikt meer brandstof en kan minder stabiel reageren in een bocht of bij een noodstop.
Er zijn grofweg twee systemen. Een indirect TPMS gebruikt gegevens van de ABS-sensoren. Een zachtere band draait net iets anders dan de andere banden en dat verschil herkent de auto. Een direct TPMS werkt met sensoren in de velgen. Die meten de bandenspanning, en bij sommige auto's ook de temperatuur, rechtstreeks.
Voor u als bestuurder is het verschil vooral praktisch. Bij een indirect systeem moet u na het corrigeren van de bandenspanning vaak een reset uitvoeren via het automenu. Bij een direct systeem kan een storing ook in een sensor, ventiel of batterij zitten.
TPMS-storingen herkennen aan het dashboardlampje
Het lampje vertelt vaak al veel. Kijk daarom niet alleen óf het brandt, maar ook hoe het zich gedraagt.
Brandt het TPMS-lampje continu, dan wijst dit meestal op een te lage bandenspanning. Het kan gaan om een langzame lekkage, een band die door kou druk heeft verloren of een band die na een wissel niet op de juiste spanning is gebracht. Controleer dan zo snel mogelijk alle vier de banden, liefst wanneer ze koud zijn.
Knippert het lampje eerst ongeveer een minuut en blijft het daarna branden? Dan is er vaker sprake van een systeemstoring. Bij directe TPMS-systemen kan een sensor niet meer worden uitgelezen, beschadigd zijn of een lege batterij hebben. Ook een ontbrekende sensor na montage van andere velgen kan deze melding veroorzaken.
Bij sommige auto's verschijnt er daarnaast een melding zoals 'bandenspanning controleren', 'TPMS niet beschikbaar' of zelfs de positie van een specifieke band. Die extra informatie is handig, maar vervangt geen controle met een betrouwbare bandenspanningsmeter.
Niet ieder TPMS-lampje betekent een lekke band
Een waarschuwing betekent niet automatisch dat u met een lege band langs de weg staat. Temperatuurverschillen spelen bijvoorbeeld mee. De bandenspanning daalt wanneer het buiten flink kouder wordt. Een band die in de zomer net goed stond, kan in de winter onder de ingestelde grens komen.
Ook na het wisselen van zomer- naar winterbanden kan het lampje verschijnen. Misschien is de spanning niet opnieuw ingesteld, is het systeem nog niet gereset of zitten er wielen zonder passende TPMS-sensoren onder de auto. Dat zijn verschillende oorzaken met verschillende oplossingen. Rijd daarom niet wekenlang door met alleen de aanname dat het wel aan het weer zal liggen.
De meest voorkomende oorzaken van een TPMS-storing
Een te lage bandenspanning is de bekendste oorzaak. Soms verliest een band heel langzaam lucht door een spijker, poreus ventiel, beschadigde velgrand of kleine beschadiging in het loopvlak. U merkt dat niet altijd tijdens het rijden, maar het TPMS vaak wel.
Daarnaast kan een sensor na jaren aan vervanging toe zijn. De batterij van een directe TPMS-sensor is doorgaans niet los te vervangen. Is deze leeg, dan wordt meestal de complete sensor vervangen. Hoe lang een sensor meegaat, verschilt per auto, rijafstand en type sensor.
Een andere bekende oorzaak is schade tijdens werkzaamheden aan de band. TPMS-sensoren zitten bij het ventiel aan de binnenkant van de velg en vragen om een zorgvuldige montage. Ook corrosie bij een metalen ventiel, een lekkend ventielrubber of een verkeerd gemonteerde sensor kan voor problemen zorgen.
Ten slotte kan het systeem de wielen niet herkennen na een bandenwissel. Sommige auto's leren sensoren tijdens het rijden automatisch in. Andere auto's moeten met diagnoseapparatuur worden ingelezen. Bij indirecte TPMS-systemen is een reset na het op spanning brengen vaak voldoende, maar alleen als de banden werkelijk goed op spanning staan.
Zo controleert u de bandenspanning veilig
Zet de auto op een vlakke plek en controleer de banden als ze koud zijn: bij voorkeur voordat u meer dan een paar kilometer heeft gereden. De juiste spanningswaarden vindt u meestal op een sticker in de deurstijl, achter het tankklepje of in het instructieboekje. Gebruik niet zomaar de maximale druk die op de zijkant van de band staat. Dat is geen adviesdruk voor uw auto.
Meet alle vier de banden en vergeet bij een auto met een reservewiel ook dat wiel niet als het onderdeel is van het TPMS-systeem. Zet de druk op de waarde die hoort bij uw belading. Voor een volle auto, caravanrit of zware belading adviseert de fabrikant soms een hogere spanning.
Ziet een band er zichtbaar slap uit, is de spanning sterk lager dan de andere banden of loopt deze snel weer terug? Rijd dan niet onnodig door. Controleer het loopvlak op een spijker of schroef, maar trek een voorwerp niet zelf uit de band. Daardoor kan een kleine lekkage ineens een snelle leegloop worden.
TPMS resetten: alleen na de juiste controle
Na het corrigeren van de bandenspanning moet een indirect TPMS vaak opnieuw worden gekalibreerd. Zoek in het menu van de auto naar bandenspanning, TPMS of reset en bevestig de huidige waarden. De auto gebruikt deze instelling vervolgens als uitgangspunt voor nieuwe waarschuwingen.
Doe die reset niet vooraf en ook niet als u vermoedt dat er een lek is. Daarmee leert het systeem mogelijk een te lage spanning als normaal aan. Het lampje verdwijnt dan misschien tijdelijk, terwijl het probleem in de band blijft bestaan.
Bij directe TPMS-systemen is een dashboardreset niet altijd de oplossing. Als een sensor geen signaal doorgeeft, blijft de storing aanwezig totdat de oorzaak is verholpen. Een werkplaats kan de sensoren uitlezen, controleren welke sensor afwijkt en beoordelen of opnieuw inleren nodig is.
Wanneer is een TPMS-controle in de werkplaats nodig?
Kom langs voor controle als het lampje terugkomt nadat u de bandenspanning heeft gecorrigeerd. Dat wijst vaak op langzaam drukverlies. Ook bij een knipperend TPMS-lampje, een melding over een systeemfout of na montage van andere velgen is een technische controle verstandig.
Een bandenspecialist controleert niet alleen de druk. Ook ventielen, velgranden, het loopvlak en eventuele TPMS-sensoren worden bekeken. Bij een direct systeem kunnen de sensor-ID's en batterijniveaus worden uitgelezen. Zo hoeft niet op goed geluk een sensor of band te worden vervangen.
Bij Peelrand Banden & Service kunnen we beoordelen of het gaat om een lek, een verkeerde instelling of een sensorstoring. Dat is vaak sneller en voordeliger dan blijven resetten terwijl het lampje terugkomt.
Veelgemaakte fouten bij een TPMS-melding
De eerste fout is doorrijden omdat de auto nog normaal stuurt. Een band kan langzaam leeglopen zonder dat u dat direct voelt. Zeker op de snelweg wordt de band warm, waardoor schade snel erger kan worden.
De tweede fout is alleen de band aan de kant van de melding controleren. Niet elke auto geeft exact aan welke band afwijkt. Meet daarom altijd alle banden. Een derde fout is het lampje resetten zonder de druk te meten. Dat lost de oorzaak niet op en maakt de waarschuwing juist minder betrouwbaar.
Ook het gebruik van lekdichtmiddel vraagt aandacht. Zo'n middel kan in noodgevallen helpen, maar kan een TPMS-sensor vervuilen en maakt een goede bandreparatie soms lastiger. Laat daarom na gebruik altijd de band en sensor nakijken.
Een TPMS-waarschuwing vraagt meestal om een eenvoudige controle, geen paniek. Neem het lampje wel serieus, meet de bandenspanning op tijd en laat terugkerende meldingen onderzoeken. Zo houdt u grip op veiligheid, bandenslijtage en onverwachte kosten onderweg.